De mate van meedoen

Op ieder werk- en denkniveau is meepraten en meedenken mogelijk maar niet iedereen kan op beleidsniveau meedoen. Iedere organisatie moet daarom bedenken welke vorm van meedoen past bij de vrijwilligers. Want de vorm is bepalend voor wie er mee kan praten en doen, en wie niet. Meedoen kan op verschillende manieren en die kunnen we ook indelen in de mate van inspraak. Hieronder volgen de vijf gradaties.

1 Mee weten: geïnformeerd worden

Organisaties communiceren op veel manieren met vrijwilligers. Via nieuwsbrieven, intranet, of door een beroepskracht worden vrijwilligers geïnformeerd over het beleid en de gang van zaken. Veel organisaties houden ook regelmatig informatiebijeenkomsten voor vrijwilligers. Informeren is eenrichtingverkeer, er is nog geen sprake van een dialoog.

2 Meepraten: relevante kennis inbrengen

Meepraten komt al meer in de buurt van een dialoog. Om een goed besluit te kunnen nemen, is het belangrijk dat alle relevante kennis meegewogen wordt. We zijn er tegenwoordig van doordrongen dat niet een persoon of een groep de waarheid in pacht heeft. Iedereen heeft vanuit haar of zijn perspectief kennis die de kennis van anderen aanvult. Voor een organisatie is het waardevol om zoveel mogelijk beschikbare kennis mee te kunnen nemen in de besluitvorming.

3 Meedenken: een mening of advies geven

Meedenken gaat nog een stap verder dan meepraten. Niet alleen wordt relevante kennis ingebracht, advies geven betekent ook een mening geven over het betreffende onderwerp. Van meedenken is bijvoorbeeld sprake als een vrijwilliger deelneemt aan een werkgroep.
Veel organisaties hebben in het samenwerkingsconvenant met de vrijwilligersraad vastgelegd dat de raad adviesrecht heeft bij bepaalde onderwerpen. Dat betekent dat het bestuur of de bestuurder altijd het advies vraagt van de vrijwilligersraad voordat er een besluit genomen wordt over een van deze onderwerpen. De bestuurder beslist zelf of zij het advies of een deel daarvan overneemt. Wie een advies vraagt en het naast zich neerlegt, moet wel uit kunnen leggen waarom het advies niet opgevolgd is.

4 Meebeslissen: een relatieve stem hebben in de besluitvorming

Voorbeelden van meebeslissen zijn het instemmingsrecht volgens de Wet op de Ondernemingsraden (WOR), en het verzwaard adviesrecht uit de Wet Medezeggenschap Cliëntenraden Zorginstellingen (WMCZ). Het bestuur heeft in deze gevallen de instemming nodig van de raad om een besluit te kunnen nemen.

Wel is er bij deze institutionele vormen van medezeggenschap altijd een externe geschillencommissie, waar de raad of de bestuurder een geschil aan kan voorleggen. Zo kan een bestuurder soms toch toestemming krijgen om een bepaald besluit te nemen. Of een raad kan gelijk krijgen, zodat de bestuurder het plan toch moet wijzigen.

Bij ons zijn geen organisaties bekend die instemmingsrecht hebben opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst met de vrijwilligersraad.

5 Beslissen: een volledige stem hebben in de besluitvorming

Een voorbeeld hiervan is het bekrachtigen van besluiten door vrijwilligers/leden in een Algemene Ledenvergadering (ALV) van een vereniging. Ook bij de Ledenraden van organisaties is er sprake van zeggenschap in plaats van medezeggenschap. Deze raden moeten namens de leden het beleid goedkeuren, voordat het wordt vastgesteld (door bestuur of raad van toezicht) en uitgevoerd kan worden (door de directeur of raad van bestuur).